In deze vierdelige reeks over de ontbossing in het regenwoud door mennonieten heb ik meer zicht willen geven op wat via rapportages in kranten en op de tv hard bij ons binnengekomen is. Het nieuws komt bij veel doopsgezinden binnen als een pijnlijke affaire, waarvan we graag zo snel en fel mogelijk afstand nemen. Dat is misschien begrijpelijk, maar met de eerdere afleveringen heb ik het tegendeel willen bereiken en de mennonieten in het regenwoud juist dichterbij willen brengen. Misschien zouden wij in hun plaats andere keuzes maken. Proberen breder te kijken naar de gevolgen van ons agrarische handelen voor de lokale bevolking en onze natuurlijke omgeving. De bijbelse boodschap van vreedzaam leven niet alleen betrekken op je eigen gemeenschap, maar ook op je hele omgeving, en al wie en wat daar leeft. De pijnlijke ‘doopsgezinde’ affaire in het regenwoud stelt ons echter een paar uitdagende vragen. Verschillen we werkelijk zo veel van deze mennonieten in het regenwoud? Doen wij het, als doopsgezinden in Nederland, echt zo veel beter?
Onze eigen rol in kolonisatie vandaag de dag
Ter besluit van de derde aflevering in deze serie schreef ik dat de mennonieten in Latijns-Amerika er gevoelig voor zijn om als zondebok te worden aangewezen. Ze hebben daar zeker gedeeltelijk gelijk in. De mennonieten hebben gelijk als ze zeggen dat ze slechts een deel zijn van een veel groter, destructief systeem, waarin de wereld draait om imperialisme en hyper-kapitalisme. De kolonisatie door mennonieten is een in het oog springende vorm van de ontginning van de aarde. Maar waar mennonieten erop gericht zijn om hun gezinnen te laten floreren, heeft de boze geest van imperialisme elders op de wereld nog kwadere gezichten. We kunnen op verhalen over de mennonitische ontbossing wel met snelle afkeer reageren, maar voordat wij dit doen is het goed om bij minstens drie punten stil te staan.
Ten eerste staan wij als Nederlanders niet onschuldig in de geschiedenis van de kolonisatie van de aarde en haar bewoners. Wij profiteren nog steeds van de rijkdom die de koloniale geschiedenis, zoals die van de VOC en WIC, ons heeft gebracht. Ons bewustzijn hiervan is nog pril en onze bereidheid om het verleden echt onder ogen te zien is doorgaans nog beperkt. Er is een begin gemaakt met onderzoek naar doopsgezinde investeringen in de slavenhandel1, maar we zouden meer kunnen doen. Er is in ieder geval meer nodig.
Onze bereidheid om het verleden echt onder ogen te zien is doorgaans beperkt
Ten tweede moeten we goed beseffen dat kolonisatie niet iets uit het verleden is, of iets is waaraan alleen mennonieten zich nu nog schuldig maken. Het idee dat inheemse volken nomadisch zijn en evengoed wel ergens anders heen kunnen trekken, is wijdverbreid en leeft vandaag zelfs meer dan ooit, zoals we in de rapportages over de ontginning van het regenwoud goed terugzien. Net als in het verleden verkopen overheden graag land, in de overtuiging dat intensieve landbouw meer welvaart brengt dan de levensstijl van de oorspronkelijke bevolking. Dit patroon, waarin mennonieten al sinds de zeventiende eeuw een rol spelen (zie aflevering 2), werkt vandaag op vele, vaak onzichtbare manieren door. Het patroon is niet alleen zichtbaar in Latijns-Amerika. Denk bijvoorbeeld aan hoe overheden in Groningen land verkochten voor gaswinning, of in Zeeland, Flevoland, en Friesland en voor buitenlandse datacenters. Vaak wordt de mogelijkheid van inspraak voor de plaatselijke bevolking ook hier in Nederland geminimaliseerd, onder het mom van ‘economische welvaart’. De vraag is echter steeds wiens welvaart het meeste gediend is met de betreffende toekenning en ontginning van land (en lucht en water) aan derden.
Ten derde spelen we ook als consumenten en burgers onze eigen rol in destructieve exploitatie van de aarde. Onze behoefte aan de schaarse grondstoffen voor onze technologie en onze algemene koopzucht dragen bij aan vervuiling en uitputting van de aarde en aan sociale onrechtvaardigheid in productielanden, vooral rond de evenaar. Dezelfde landen waar de mennonieten zich hebben gevestigd, zijn ook vestigingsplaatsen van de grote oliewinnende bedrijven waardoor onze auto’s rijden, en van de bedrijven die de grondstoffen delven voor onze laptops en telefoons, voor onze zogenaamd ‘duurzame’ energietransitie (windturbines en zonnecollectoren), en natuurlijk voor onze wapentechnologie, waarin we onze veiligheid zoeken.2
Wanneer we ons realiseren dat ook wij deel uitmaken van het grote systeem van de exploitatie van het regenwoud, wordt ons gevoel van machteloosheid en schaamte groter, maar onze neiging ons om alleen maar naar de mennonieten te wijzen kleiner. We zijn waarschijnlijk net zo allergisch voor beschuldigende vingers als de mennonieten in het regenwoud. Toch is het voor een verandering van de situatie noodzakelijk aan zelfreflectie te doen en onze eigen rol en plaats in het verhaal onder ogen te zien, voordat we wijzen naar anderen.
Wat kunnen we doen?
Zolang ‘zachte diplomatie’ (aflevering 3) nog beperkte resultaten oplevert, is er behalve het doorvoelen van schuld, schaamte en machteloosheid nog een andere belangrijke weg. Het is misschien een wrange vorm van een morele aflaat, maar: ondersteun inheemse groepen moreel en financieel. Zij voeren een strijd voor hun landrecht en zelfbeschikkingsrecht. Dit is een concrete manier om onze schaamte om te zetten in actie en bij te dragen aan rechtvaardigheid.
Voor meer informatie over steun aan het inheemse verzet tegen kolonisatie, zie onder meer glawlaw.org, resistglencore.com, cpt.org/programs/colombia en dofdmenno.org.
Tekst: Iris Speckmann
Beeld: Huzaifa Ochom